ECLI:NL:CRVB:2014:3208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling te late aanvraag WW-uitkering zonder bijzonder geval
Appellant was vanaf 1 januari 2011 in dienst bij een werkgever en werd werkloos per 1 september 2011. Hij diende op 4 oktober 2012 een aanvraag in voor een WW-uitkering die betrekking had op de periode van 1 september tot en met 30 november 2011. Het UWV weigerde de uitkering over deze periode omdat de aanvraag meer dan 26 weken na het einde van het dienstverband was ingediend.
Appellant stelde dat er sprake was van een bijzonder geval vanwege zijn psychische toestand, veroorzaakt door stress, financiële problemen, een scheiding in 2009 en problemen met huisvesting. Hij voerde aan dat deze omstandigheden hem belemmerden tijdig een aanvraag in te dienen.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat appellant deze bijzondere omstandigheden onvoldoende had onderbouwd. Zijn verklaring dat hij op zoek was naar werk en hoopte dat dit zou lukken, strookte niet met het beroep op bijzondere omstandigheden. Er was geen medische of andere bewijsvoering die zijn psychische toestand aantoonde.
Daarom was het UWV terecht niet afgeweken van de wettelijke termijn van 26 weken voor het indienen van een WW-aanvraag en werd de uitkering over de betreffende periode niet toegekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor de WW-uitkering werd afgewezen omdat geen sprake was van een bijzonder geval en de aanvraag te laat was ingediend.