ECLI:NL:CRVB:2014:3284

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 oktober 2014
Publicatiedatum
8 oktober 2014
Zaaknummer
12-5900 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 WAO
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na fraudeonderzoek zonder vooringenomenheid

Appellant ontvangt sinds 29 januari 2005 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV heeft deze uitkering bij besluit van 8 juni 2011 herzien naar 15-25% arbeidsongeschiktheid met ingang van 27 mei 2011. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, waarop het UWV het bezwaar deels gegrond verklaarde door de ingangsdatum te wijzigen naar 9 augustus 2011.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV zijn bevoegdheid tot herkeuring niet heeft misbruikt. De rechtbank stelde dat het UWV gerechtigd is om WAO-gerechtigden zo vaak als nodig op te roepen en door deskundigen te laten onderzoeken, ook indien de aanleiding een fraudeonderzoek is. Er was geen bewijs van vooringenomenheid of strengere keuring dan gebruikelijk.

In hoger beroep stelde appellant dat de herkeuring vanwege het fraudeonderzoek plaatsvond en dat zijn toestand sinds 2005 verslechterd was, waardoor het UWV onterecht streng had gekeurd. De Raad overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het UWV bevoegd was en geen vooringenomenheid bestond. Het gevoel van appellant dat hij strenger werd behandeld, volstaat niet. Ook was de inschatting van zijn beperkingen door het UWV juist, mede omdat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd.

De bezwaararbeidsdeskundige had in een rapport van 19 maart 2014 overtuigend gemotiveerd dat de geduide functies geschikt waren voor appellant. Het hoger beroep werd afgewezen. Omdat de motivatie van het UWV pas in hoger beroep voldoende was, werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

12/5900 WAO
Datum uitspraak: 8 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van
9 oktober 2012, 12/339 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Küçükünal en het Uwv door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontvangt vanaf 29 januari 2005 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.2. Bij besluit van 8 juni 2011 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 27 mei 2011 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.
1.3. Bij besluit van 6 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen gerichte bezwaar gegrond verklaard, in zoverre dat de ingangsdatum van de herziening wordt gesteld op 9 augustus 2011.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv zijn bevoegdheid om te herkeuren niet heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze bedoeld is. In artikel 23 van Pro de WAO is de bevoegdheid voor het Uwv neergelegd om, zo vaak hij dat nodig oordeelt, degene die in het genot is van een WAO-uitkering op te roepen en door deskundigen te laten onderzoeken. Niet gebleken is dat het Uwv het bestreden besluit met vooringenomenheid heeft genomen. Het enkele feit dat appellant verdacht werd van fraude, brengt niet mee dat gesproken kan worden van vooringenomenheid. Niet gebleken is dat de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, dan wel niet concludent zijn. Er is rekening gehouden met de fysieke en psychische beperkingen van appellant. Ook het standpunt van de psychiater omtrent de aanwezigheid van appellant in de kapsalon, is meegenomen. De belasting in de geduide functies overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet.
3.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de aanleiding voor de herkeuring het fraudeonderzoek was. Het Uwv heeft hem daarom op een strengere wijze gekeurd. De toestand van appellant is sinds 2005 alleen maar verslechterd.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv, zo vaak hij dat nodig oordeelt, degene die een WAO-uitkering ontvangt, mag oproepen en door deskundigen laten onderzoeken. Het feit dat in dit geval de aanleiding daartoe gelegen was in een fraudeonderzoek, maakt niet dat sprake is van vooringenomenheid. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat het Uwv op strengere wijze heeft gekeurd dan in andere gevallen. Een gevoel bij appellant dat hij strenger is aangepakt, is onvoldoende. Ook anderszins is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat niet gebleken.
4.2.
De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat het Uwv de beperkingen van appellant niet onjuist heeft ingeschat. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die tot een andere conclusie moeten leiden.
4.3.
De bezwaararbeidsdeskundige heeft in het rapport van 19 maart 2014 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de geduide functies voor appellant geschikt zijn.
4.5.
Het hoger beroep slaagt niet.
5.
In het feit dat pas in hoger beroep de geschiktheid van de geduide functies voldoende is gemotiveerd, ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 974,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een
bedrag van € 1.948,-;
- bepaalt dat het Uwv het gestorte griffierecht van € 157,- aan appellant vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2014.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) V. van Rij

JS