ECLI:NL:CRVB:2014:3288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen intrekking Wajong-uitkering niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Appellant ontving sinds 1998 een Wajong-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering per de maand volgend op het vertrek van appellant uit Nederland in een besluit van 17 augustus 2011. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar diende dit op 6 oktober 2011 in, na afloop van de bezwaartermijn die tot 28 september 2011 liep.
Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en achtte deze niet verschoonbaar. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond, stellende dat appellant ondanks zijn zorgelijke gezondheidssituatie niet geheel onbekwaam was om zijn belangen te behartigen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid hem verhinderde tijdig bezwaar te maken, waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. De Raad liet een verzekeringsdeskundig rapport opstellen, dat geen medische gronden vond om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Ook het journaal van de huisarts bevatte geen aanwijzingen voor volledige onbekwaamheid.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Het bezwaar bleef daardoor niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de Wajong-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.