ECLI:NL:CRVB:2014:3311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen omzetting AOW-pensioen naar ongehuwdenpensioen niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Appellanten ontvingen een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde en hebben dit op eigen verzoek laten omzetten naar een ongehuwdenpensioen, nadat appellant in een AWBZ-instelling was opgenomen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had hen vooraf meerdere malen geïnformeerd over de mogelijke nadelige gevolgen van deze omzetting en gewezen op het feit dat de keuze niet teruggedraaid kon worden zolang de opname duurde.
Appellanten maakten bezwaar tegen de omzetting, omdat zij pas eind november 2012 de financiële gevolgen zagen, waaronder een terugvordering van ruim € 15.000 door het CAK. Zij voerden aan dat zij onvoldoende waren voorgelicht over de verhoging van de eigen bijdrage en dat zij waren misleid door het CAK en een medewerker van de Svb.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn en wees erop dat appellanten hadden afgegaan op een onjuist advies van een derde, wat voor hun rekening en risico kwam. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel, stellende dat de Svb niet verantwoordelijk was voor de eigen bijdrage en dat er geen sprake was van een ondubbelzinnige toezegging die een gerechtvaardigde verwachting kon wekken.
De Raad concludeerde dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar was en dat het beroep niet kon slagen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de omzetting van het AOW-pensioen naar de norm van een ongehuwde is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.