ECLI:NL:CRVB:2014:3325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en geen woonplaats in uitkeringsgemeente
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB maar werd verdacht van het niet langer wonen op het opgegeven adres in de uitkeringsgemeente. Na onderzoek door de Sociale Recherche en een huisbezoek concludeerde het college dat appellant sinds 1 februari 2012 feitelijk niet meer in de gemeente woonde. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de door appellant afgelegde en ondertekende verklaring tegenover de sociale rechercheer betrouwbaar was en niet was gemanipuleerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij uit onmacht een verklaring had ondertekend en dat hij wel degelijk vaker in de uitkeringsgemeente verbleef, maar kon dit niet overtuigend aantonen.
De Raad oordeelde dat de door appellant overgelegde stukken onvoldoende waren om het eerdere oordeel te weerleggen. Het college had daarom terecht de bijstand ingetrokken en de kosten teruggevorderd. De financiële situatie van appellant vormde geen reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.