ECLI:NL:CRVB:2014:3373
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte verleende bijstand wegens verblijf buitenland
Appellant ontving bijstand die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd ingetrokken wegens een langer verblijf dan toegestaan in het buitenland. Vervolgens werd een bedrag van €728,55 teruggevorderd voor de periode van 14 tot en met 31 juli 2012. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Appellant voerde aan dat terugvordering onredelijk was vanwege zijn grote schuldenlast en de onmogelijkheid om vaste lasten te betalen, en beriep zich op dringende redenen en bijzondere omstandigheden. De Raad oordeelde dat de terugvordering op grond van artikel 58 WWB Pro (tekst tot 1 januari 2013) rechtmatig is, omdat het besluit tot intrekking van de bijstand onherroepelijk is geworden en het college bevoegd is tot terugvordering.
De Raad stelde dat de financiële situatie van appellant geen dringende reden vormt om van terugvordering af te zien, mede omdat de beslagvrije voet bescherming biedt tegen onaanvaardbare financiële gevolgen. Ook het beroep op bijzondere omstandigheden op grond van artikel 4:84 Awb Pro werd verworpen. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €728,55 ten onrechte verleende bijstand en wijst het hoger beroep af.