Appellant, die lijdt aan multiple sclerose en medicinale cannabis gebruikt ter pijnbestrijding, verzocht bijzondere bijstand voor de kosten hiervan. Het college wees dit af omdat de kosten van geneesmiddelen onder voorliggende voorzieningen vallen en geen zeer dringende reden aanwezig was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij stelde dat de gemeente ten onrechte de kosten als voorliggende voorziening beschouwde en dat er zeer dringende redenen waren vanwege zijn pijnklachten. Ook voerde hij een schending van het gelijkheidsbeginsel aan omdat een andere gemeente wel bijstand verleende.
De Raad oordeelde dat de Zorgverzekeringswet en AWBZ als voorliggende voorzieningen gelden voor geneesmiddelen, waaronder medicinale cannabis. Zeer dringende redenen vereisen een acute noodsituatie met levensbedreiging of blijvend ernstig letsel. Medische stukken toonden aan dat zonder medicinale cannabis geen levensbedreiging of blijvend ernstig letsel ontstaat.
De Raad concludeerde dat het college terecht bijzondere bijstand weigerde en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt vanwege de decentrale uitvoering van de WWB. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.