ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/6320 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WWBArt. 16 WWBZiekenfondswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor borstprotheses bij geslachtsverandering wegens ontbreken acute noodsituatie

Appellante, sinds 2003 medisch behandeld voor geslachtsverandering, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van borstprotheses nadat vergoeding via de Zorgverzekeringswet niet meer mogelijk was. Het College wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel met verwijzing naar de WWB, waarin bijstandsverlening in beginsel is uitgesloten als er een toereikende voorziening via de Zorgverzekeringswet bestaat.

In hoger beroep stond de vraag centraal of er zeer dringende redenen waren die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. De Raad overwoog dat een acute noodsituatie vereist is, waarbij levensbedreiging of blijvend ernstig letsel kan optreden, en dat ernstig letsel ook psychisch kan zijn. Appellante slaagde er niet in dit aan te tonen met medische rapportages, die wel uitzonderlijke omstandigheden beschreven maar geen acute noodsituatie in de beoordelingsperiode.

De Raad concludeerde dat het College terecht geen bijzondere bijstand heeft toegekend en wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor borstprotheses werd afgewezen wegens ontbreken van een acute noodsituatie.

Uitspraak

08/6320 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 september 2008, 07/2475 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught (hierna: College)
Datum uitspraak: 1 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.C.L.J. Verhoeven, advocaat te Schijndel, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoeven. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.W.P.M. van der Linden, werkzaam bij de gemeente Vught.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitvoerig overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellante is sedert 2003 onder medische behandeling in verband met geslachtsverandering. In verband hiermede heeft appellante bij de Centrale Zorgverzekeraars (hierna: CZ) een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan het plaatsen van borstprotheses. Nadat appellante door CZ is geïnformeerd dat vergoeding van deze kosten ingevolge de Ziekenfondswet in het geval van appellante sinds 1 januari 2005 niet meer mogelijk is, heeft appellante op 9 februari 2006 een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van het plaatsen van borstprotheses bij het College ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 3 april 2006 afgewezen.
1.2. Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 juni 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij - samengevat - overwogen dat de Zorgverzekeringswet een aan de Wet werk en bijstand (WWB) voorliggende, toereikende en passende voorziening is, zodat ingevolge artikel 15 van Pro de WWB bijstandsverlening in beginsel is uitgesloten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van een situatie waarin zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB nopen tot bijzondere bijstandsvoorziening.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. Met betrekking tot de uitsluitend nog in geding zijnde vraag of in het geval van appellante sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
4.1. Het eerste lid van artikel 16 van Pro de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WWB de gevraagde bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting op deze bepaling dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. De Raad heeft al eerder ten aanzien van een soortgelijke bepaling als artikel 16, eerste lid, van de WWB geoordeeld dat sprake is van een acute noodsituatie indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. De Raad voegt hieraan toe dat hij de rechtbank volgt in haar overweging in de aangevallen uitspraak dat ernstig letsel zowel psychisch als lichamelijk letsel kan omvatten.
4.2. De Raad stelt voorop dat het in beginsel op de weg ligt van degene die een beroep doet op zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 van Pro de WWB om aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk te maken dat sprake is van een acute noodsituatie in bovenvermelde zin.
4.3. De Raad is van oordeel dat appellante hierin niet is geslaagd. Uit de door appellante overgelegde (medische) gegevens, waaronder een rapportage van dr. L. Gijs en J. Megens, verbonden aan het genderteam van het VU medisch centrum, van 20 juli 2006 en een rapportage van I.W. Gaasbeek, psycholoog/seksuoloog NVVS van 28 juli 2008, blijkt weliswaar dat de situatie van cliënte zeer uitzonderlijk is en dat gevreesd kan worden dat het niet laten plaatsen van borstprotheses op de langere termijn zal leiden tot psychische problemen, maar niet dat in de te beoordelen periode van 9 februari 2006 tot 3 april 2006 sprake was van een acute noodsituatie in de onder 4.1 bedoelde zin. Ook in hetgeen door appellant overigens is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.
4.4. Gelet op het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College niet de bevoegdheid toekwam om appellante bijzondere bijstand toe te kennen voor de hier besproken kosten, zodat de betreffende aanvraag terecht is afgewezen.
4.5. De Raad voegt hieraan nog toe dat in zijn oordeel besloten ligt dat hij geen aanleiding ziet om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek, zoals door appellante is verzocht.
4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2009.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) J. Waasdorp.
mm