ECLI:NL:CRVB:2014:3426

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2014
Publicatiedatum
21 oktober 2014
Zaaknummer
13-2269 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SchattingsbesluitWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen door fibromyalgie zijn onderschat en dat haar wisselende beschikbaarheid niet juist is meegewogen. Het UWV had eerder vastgesteld dat zij vanaf 28 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van appellante vooral een herhaling waren van eerdere bezwaren die door de rechtbank terecht waren verworpen. De medische rapporten van verzekeringsartsen waren voldoende onderbouwd en gaven een juist beeld van haar functionele mogelijkheden. Ook de arbeidsdeskundige rapportage ondersteunde de conclusie dat de geselecteerde functies passend waren.

Verder wees de Raad erop dat de kenmerken bedoeld in artikel 9 van Pro het Schattingsbesluit, die betrekking hebben op redelijke eisen aan een werkgever, niet gelijkgesteld kunnen worden aan de medische en arbeidskundige beoordeling van passendheid van functies. De beoordeling van arbeidsongeschiktheid per november 2012, waarbij rekening werd gehouden met therapiedagen, deed hieraan niets af. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

13/2269 WIA
Datum uitspraak: 13 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
21 maart 2013, 12/3535 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2014. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij met ingang van 28 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 26 september 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij heeft gesteld dat iemand die niet weet wat fybromyalgie met iemand doet erg moeilijk de beperkingen kan beoordelen. Tevens heeft zij gewezen op het gestelde in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit, ten onrechte is niet gekeken naar haar wisselende beschikbaarheid.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
De hoger beroepsgronden vormen voornamelijk een herhaling van de gronden die appellante in eerste aanleg heeft aangevoerd. Die gronden heeft de rechtbank terecht verworpen.
4.2.
Voor zover die gronden betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de onderhavige besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze artsen, die over informatie van de behandelend artsen van appellante beschikten, hebben hun rapporten voldoende onderbouwd. Uit de beschikbare gegevens is niet af te leiden dat de Functionele Mogelijkhedenlijst een onjuist beeld geeft van de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid.
4.3.
Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de ten aanzien van appellante geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook met juistheid verwezen naar het rapport van 19 september 2012 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
4.4.
In vaste rechtspraak van de Raad (vgl. ECLI:NL:CRVB:2014:864) ligt besloten dat de in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten bedoelde kenmerken op grond waarvan van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd de betrokkene in bepaalde arbeid te werk te stellen, betrekking hebben op andere aspecten dan de aspecten die in aanmerking worden genomen bij de vraag naar de passendheid van geselecteerde functies. Nu bij de vraag naar de passendheid van de geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht rekening is gehouden met het totaal van vastgestelde medische beperkingen van appellante ten aanzien van haar persoonlijk en sociaal functioneren, kunnen deze beperkingen rechtens niet tevens worden aangemerkt als kenmerken bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit.
4.5.
Dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 26 november 2012 opnieuw is beoordeeld doet aan het voorgaande niet af. Dit houdt verband met het gegeven dat zij per die datum op drie, wisselende, dagen per week therapie volgt; een en ander houdt dus geen verband met de stelling van appellante dat een werkgever niet van tevoren kan weten wanneer ze zal verschijnen, voor welke stelling, wat daarvan ook zij, overigens geen medische onderbouwing bestaat.
4.6.
Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2014.
(getekend) J. Riphagen
(getekend) J.T.P. Pot
JvC