ECLI:NL:CRVB:2014:3426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen door fibromyalgie zijn onderschat en dat haar wisselende beschikbaarheid niet juist is meegewogen. Het UWV had eerder vastgesteld dat zij vanaf 28 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van appellante vooral een herhaling waren van eerdere bezwaren die door de rechtbank terecht waren verworpen. De medische rapporten van verzekeringsartsen waren voldoende onderbouwd en gaven een juist beeld van haar functionele mogelijkheden. Ook de arbeidsdeskundige rapportage ondersteunde de conclusie dat de geselecteerde functies passend waren.
Verder wees de Raad erop dat de kenmerken bedoeld in artikel 9 van Pro het Schattingsbesluit, die betrekking hebben op redelijke eisen aan een werkgever, niet gelijkgesteld kunnen worden aan de medische en arbeidskundige beoordeling van passendheid van functies. De beoordeling van arbeidsongeschiktheid per november 2012, waarbij rekening werd gehouden met therapiedagen, deed hieraan niets af. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.