ECLI:NL:CRVB:2014:3434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij vanaf 6 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over haar beperkingen, waaronder CVS/ME en een schouderoperatie in december 2012, en overhandigde medische verklaringen van specialisten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat deze onderzoeken na de datum van het besluit plaatsvonden en dat er geen aanleiding was om meer beperkingen aan te nemen.
De Raad overwoog dat de ingediende medische gegevens geen reden gaven om te twijfelen aan de eerdere vaststellingen. Ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gaf een nadere toelichting op de geschiktheid van functies, waarbij een functie werd vervallen vanwege beperkingen, maar dit de uitkomst niet beïnvloedde. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en oordeelde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellante moet vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering.