ECLI:NL:CRVB:2014:3467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluiten UWV over WIA-uitkeringen ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig monteur koeltechniek, viel uit wegens nek-, schouder-, arm- en psychische klachten. Na afloop van de wachttijd kende het UWV hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe op basis van 35-80% arbeidsongeschiktheid. Later werd deze omgezet in een WGA-vervolguitkering met een mate van 55-65%. Appellant maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke deskundige, die concludeerde dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt was en in staat was om bepaalde functies te vervullen. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van dit oordeel, ook niet gezien de door appellant aangevoerde belastende gezinssituatie.
De Raad oordeelde verder dat het UWV de lichamelijke beperkingen van appellant niet had miskend en dat de functies waarop de uitkeringen waren gebaseerd medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd. Er werd geen ruimte gecreëerd voor toewijzing van wettelijke rente of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken worden bevestigd.