ECLI:NL:CRVB:2014:3603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage ZVW voor verdragsgerechtigde met inkomen in Nederland en buitenland
Appellant, woonachtig in Italië en verdragsgerechtigde, was een buitenlandbijdrage ZVW verschuldigd voor het jaar 2010. Het Zorginstituut Nederland stelde deze bijdrage vast op €1.854,08, waarvan appellant nog €709,08 moest betalen. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, dat door het Zorginstituut werd afgewezen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de bijdrage correct was vastgesteld, mede op basis van de Verordeningen 1408/71 (EG) en 883/2004 (EG). In hoger beroep voerde appellant aan dat de berekeningswijze onduidelijk was, dat het buitenlandse inkomen ten onrechte werd betrokken en dat de jaarlijkse verhoging van premiepercentages onrechtmatig was, met een verzoek tot terugbetaling vanaf 2006.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het Zorginstituut de berekening voldoende inzichtelijk had gemaakt met verwijzing naar het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen. De complexiteit van de berekening werd erkend, maar er werden geen fouten of ongerijmdheden vastgesteld. De Raad wees het verzoek tot terugbetaling af omdat de buitenlandbijdrage correct was vastgesteld en de jaren 2006-2009 niet aan de orde waren in deze procedure.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De buitenlandbijdrage ZVW is correct vastgesteld en het beroep wordt afgewezen.