ECLI:NL:CRVB:2014:3613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake WIA-uitkering en arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
Appellant viel sinds juni 2005 uit vanwege psychische en fysieke klachten en ontving aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering. Na herbeoordelingen stelde het UWV vast dat appellant recht had op een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep.
In hoger beroep stelde het UWV op 22 augustus 2014 een nieuw besluit vast, waarbij appellant recht kreeg op een LAU-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 35-80%. De Raad vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van 16 april 2012 gegrond. De medische beoordeling van het UWV werd als zorgvuldig en juist beoordeeld, en er was geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.
De Raad oordeelde dat de vraag naar duurzame arbeidsongeschiktheid pas aan de orde kan komen nadat vaststaat dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Het beroep tegen het nieuwe besluit van 22 augustus 2014 werd ongegrond verklaard. Tot slot werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 16 april 2012 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met toekenning van een LAU-uitkering op basis van 35-80% arbeidsongeschiktheid.