ECLI:NL:CRVB:2014:3618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand sinds augustus 2011 en was eerder als zelfstandige ingeschreven met schilderswerkzaamheden. In november 2011 werd hij door een arbeidsinspecteur schilderend aangetroffen, terwijl hij dit niet had gemeld aan de sociale dienst. Het college beëindigde daarop de bijstand en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de intrekking niet met terugwerkende kracht kon plaatsvinden en dat hij geen inkomsten had genoten, slechts een kostenvergoeding. De Raad oordeelde dat de intrekking terecht was en dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn stelling over de inkomsten.
De Raad concludeerde dat de schending van de inlichtingenverplichting een geldige grond is voor intrekking van bijstand als het recht daarop niet kan worden vastgesteld. Omdat appellant geen duidelijkheid gaf over zijn werkzaamheden en inkomsten, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.