ECLI:NL:CRVB:2014:3659
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De rechtbank had het beroep van verzoeker ongegrond verklaard en hij ging in hoger beroep.
Het verzoek om voorlopige voorziening strekte ertoe dat het UWV voorschotten zou toekennen op een WIA-uitkering van € 1.500 per maand in afwachting van de definitieve uitspraak. Verzoeker stelde dat hij na het einde van zijn WW-uitkering per 1 december 2014 in financiële problemen zou komen omdat het inkomen van zijn partner onvoldoende is.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang had aangetoond. Dit omdat verzoeker en zijn partner samen nog over ongeveer € 12.000 aan spaargeld beschikken en verzoeker al lange tijd wist wanneer zijn WW-uitkering zou eindigen, waardoor hij zich had kunnen voorbereiden. Er was geen reden om aan te nemen dat de hoofdzaak niet afgewacht kon worden.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot toekenning van voorschotten op een WIA-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.