ECLI:NL:CRVB:2014:3660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 28 april 2011 waarin werd vastgesteld dat hij met ingang van 5 mei 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit bezwaar werd bij besluit van 27 oktober 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond verklaard.
In hoger beroep betoogt appellant dat het UWV ten onrechte te weinig beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van zijn fysieke, psychische en cognitieve functioneren, en dat het besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd. De Centrale Raad van Beroep heeft het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek beoordeeld, waarbij onder meer de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 oktober 2011 centraal stond.
De Raad concludeert dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht, met inachtneming van dossieronderzoek, lichamelijk en psychisch onderzoek, en informatie van de behandelend sector. De verzekeringsarts constateerde psychische en fysieke klachten, waaronder een paniekstoornis met agorafobie en een depressieve stoornis in remissie, maar geen objectiveerbare somatische afwijkingen. De arbeidskundige beoordeling bevestigde dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant binnen de vastgestelde beperkingen.
Gezien deze bevindingen is er geen reden om het oordeel van het UWV en de rechtbank te wijzigen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de gewezen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.