ECLI:NL:CRVB:2014:3664
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde WIA-uitkering ondanks medische bezwaren appellant
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 21 maart 2012 waarin werd vastgesteld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid was gewijzigd, maar dat zijn WIA-uitkering ongewijzigd bleef. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant opnieuw medische en arbeidskundige gronden aan, stellende dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn beperkingen en dat de geselecteerde functies medisch niet passend waren.
De Raad oordeelde dat de gronden van appellant vooral een herhaling waren van eerdere argumenten die door de rechtbank terecht waren verworpen. De verzekeringsartsen hadden appellant lichamelijk en psychisch onderzocht en een deugdelijk gemotiveerd rapport opgesteld. De medische gegevens van de behandelende sector toonden geen aanleiding voor een ander oordeel. Ook de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant passend werk kon verrichten binnen zijn beperkingen.
De Raad vond geen reden om een medische deskundige te benoemen en verwierp het beroep van appellant. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ongewijzigde WIA-uitkering blijft gehandhaafd.