ECLI:NL:CRVB:2014:3682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- M.C.D. Embregts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand vanwege overschrijding vermogensgrens door erfpachtrecht in Suriname
Appellante ontving algemene en bijzondere bijstand en erfde een erfpachtrecht op een perceel in Suriname. De waarde van dit recht lag boven de voor haar geldende WWB-vermogensgrens. Na onderzoek door de gemeente en een taxateur werd de bijstand ingetrokken wegens het bezit van dit vermogen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij kosten had gemaakt voor verkoop en schulden had, waardoor haar vermogen onder de grens zou liggen, en dat deviezenbeperkingen haar verhinderden het erfpachtrecht te gelde te maken. Zij stelde ook dat het college de beginselen van behoorlijk bestuur had geschonden door haar niet tijdig te informeren en onvoldoende gelegenheid te geven tot verkoop.
De Raad oordeelde dat appellante haar kosten en schulden niet aannemelijk had gemaakt met bewijsstukken. Ook was niet bewezen dat deviezenbeperkingen haar belemmerden, aangezien zij het erfpachtrecht uiteindelijk verkocht en het bedrag beschikbaar had. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde wegens het ontbreken van ondubbelzinnige toezeggingen. De Raad concludeerde dat appellante voldoende tijd had gehad om het erfpachtrecht te verkopen en bevestigde de intrekking van de bijstand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante onvoldoende aannemelijk maakte dat haar vermogen onder de vermogensgrens lag.