ECLI:NL:CRVB:2014:3690
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 21 februari 2012 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank Amsterdam wees het beroep af.
In hoger beroep stelde appellant dat de medische onderbouwing onvoldoende was, mede omdat het UWV geen deskundige had benoemd en onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische toestand. Hij overlegde onder meer een brief van een psycholoog en documenten over AWBZ-zorg en maatschappelijke ondersteuning.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep had betrokken, waarin geen aanwijzingen waren gevonden die het eerdere oordeel van de primaire verzekeringsarts ondermijnden. De brief van de psycholoog dateerde van na het bestreden besluit en kon het oordeel niet veranderen. Ook de arbeidsdeskundige had nieuwe passende functies geselecteerd die appellant kon verrichten.
Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen en ook geen grond voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.