ECLI:NL:CRVB:2014:3690

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2014
Publicatiedatum
11 november 2014
Zaaknummer
13-2286 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 21 februari 2012 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank Amsterdam wees het beroep af.

In hoger beroep stelde appellant dat de medische onderbouwing onvoldoende was, mede omdat het UWV geen deskundige had benoemd en onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische toestand. Hij overlegde onder meer een brief van een psycholoog en documenten over AWBZ-zorg en maatschappelijke ondersteuning.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep had betrokken, waarin geen aanwijzingen waren gevonden die het eerdere oordeel van de primaire verzekeringsarts ondermijnden. De brief van de psycholoog dateerde van na het bestreden besluit en kon het oordeel niet veranderen. Ook de arbeidsdeskundige had nieuwe passende functies geselecteerd die appellant kon verrichten.

Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen en ook geen grond voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

13/2286 WIA
Datum uitspraak: 10 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
19 maart 2013, 12/4037 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats](appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2014. Namens appellant is mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 21 februari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 3 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 16 juli 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet deugdelijk tot stand is gekomen, omdat het Uwv naar aanleiding van zijn bezwaar geen deskundige heeft benoemd. In de aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische toestand. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een ongedateerde brief van psycholoog W.F. de Jong overgelegd, die appellant vanaf december 2013 vier keer heeft gezien. Uit deze brief wordt volgens appellant duidelijk dat hij lijdt aan een posttraumatische stress stoornis. Voorts heeft hij een door CIZ genomen indicatiebesluit AWBZ-zorg van 23 april 2013 en een brief van de MO-zaak te Leeuwarden van 25 april 2013 met betrekking tot een onderzoek in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning overgelegd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
De hoger beroepsgronden vormen voornamelijk een herhaling van de gronden die appellant in eerste aanleg heeft aangevoerd. Die gronden heeft de rechtbank terecht verworpen.
4.2.
Voor zover die gronden betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 juni 2012. Dit rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren, die betrekking hebben op appellants psychische gezondheidstoestand, tegen het besluit van 21 februari 2012. Uit dit rapport blijkt dat het onderzoek van deze verzekeringsarts geen aanwijzingen gaf voor de conclusie dat het oordeel van de door de primaire verzekeringsarts ingeschakelde psychiater onjuist was. Op grond van zijn bevindingen heeft hij de conclusie getrokken dat de primaire verzekeringsarts terecht een FML heeft opgesteld, maar abusievelijk is vergeten om daarin een beperking op te nemen in verband met de tremor. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vanwege deze reden aangepaste FML zijn in de rubrieken die betrekking hebben op persoonlijk en sociaal functioneren beperkingen opgenomen met betrekking tot onder meer het aangewezen zijn op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken, het aangewezen zijn op een voorspelbare werksituatie, ten aanzien van omgaan met conflicten en ten aanzien van samenwerken. Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert, heeft appellant geen onderbouwd medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. De in hoger beroep overgelegde brief van psycholoog De Jong is opgesteld in verband met appellants aanvraag om een AWBZ-indicatie en dateert van na de datum hier in geding. De door de psycholoog in deze brief gegeven informatie kan niet leiden tot de conclusie dat het Uwv de medische beperkingen van appellant heeft onderschat. Uit deze brief is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellants psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid. Hetzelfde geldt voor de brieven van CIZ en de MO-zaak. Gelet hierop is niet staande te houden dat het oordeel van de door de primaire verzekeringsarts ingeschakelde psychiater niet gevolgd kon worden of dat er aanleiding was om in de bezwaarfase opnieuw een deskundige te benoemen. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. In het voorgaande ligt besloten dat in hoger beroep evenmin aanleiding wordt gezien om een deskundige te benoemen.
4.3.
Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de ten aanzien van appellant geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook met juistheid verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van
10 juli 2012. In dit rapport zijn nieuwe functies geselecteerd, omdat in de eerder geselecteerde functies sprake was van overschrijdingen van appellants functionele mogelijkheden. Voorts is in dat rapport inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant werkzaamheden kan verrichten verbonden aan de nieuw geselecteerde functies. Uit de in beroep overgelegde brieven met betrekking tot de AWBZ-indicatie is niet af te leiden dat twijfel gerechtvaardigd is aan het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
4.4.
Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2014.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) V. van Rij
JvC