ECLI:NL:CRVB:2014:3701
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding na intrekking hulp bij huishouden
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Emmen om de hulp bij het huishouden in te trekken vanwege klachten van de zorgaanbieder. Hoewel het college het bezwaar deels gegrond verklaarde en materiële schadevergoeding toekende in de vorm van gemiste uren huishoudelijke hulp, wees het de vergoeding van immateriële schade af.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellant onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens had aangeleverd om het geestelijk letsel aannemelijk te maken. Appellant stelde in hoger beroep dat het ten onrechte beschuldigd worden van seksuele intimidatie op zichzelf al psychisch zwaar is en dat verder bewijs niet nodig is.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat geestelijk letsel objectief moet worden vastgesteld en voldoende concrete gegevens vereist zijn. Omdat appellant ook in hoger beroep niet voldeed aan deze vereisten, werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van geestelijk letsel.