ECLI:NL:CRVB:2014:3703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering na medische beoordeling zonder recht op WIA-uitkering
Appellant, voormalig agrarisch medewerker, ontving sinds 2006 een WGA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek tot herziening in 2011 oordeelde de verzekeringsarts dat er geen toename van beperkingen was, waarna het Uwv de uitkering ongewijzigd voortzette.
Appellant stelde bezwaar in met medische informatie over toegenomen klachten, waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep enkele beperkingen aannam, maar het Uwv besloot de WGA-vervolguitkering in 2012 te beëindigen. Latere klachten en medische gegevens leidden in 2013 tot een besluit dat geen recht op WIA-uitkering bestond, maar na bezwaar werd een gedeeltelijke uitkering toegekend.
De rechtbank verklaarde beide beroepen ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordelingen en functionele beperkingen adequaat waren vastgesteld. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en verzocht om een onafhankelijke deskundige, maar de Raad concludeerde dat de medische beoordeling juist en voldoende gemotiveerd was, en dat er geen aanleiding was voor een deskundigenonderzoek.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken en oordeelde dat de WGA-vervolguitkering terecht was beëindigd en dat geen recht op een WIA-uitkering bestond voor de perioden in geschil. De latere toekenning van een WGA-loonaanvullingsuitkering per 1 november 2014 was niet relevant voor de beoordeling van de eerdere besluiten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering en het ontbreken van recht op WIA-uitkering.