ECLI:NL:CRVB:2014:3745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag WIA-besluit
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV dat hij vanaf 16 februari 2012 geen recht meer zou hebben op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit als juist beschouwde.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden en dat de rechtbank onvoldoende acht sloeg op een rapport van een verzekeringsarts-medisch adviseur. Appellant voerde tevens aan dat zijn medische toestand was verslechterd, onderbouwd met een brief van zijn psychiater.
De Raad constateerde dat het UWV het besluit baseerde op verouderde medische gegevens, omdat het primaire onderzoek bijna een jaar voor de datum van het besluit plaatsvond en appellant niet door een verzekeringsarts bezwaar en beroep is onderzocht. Ook ontbrak een arbeidskundige beoordeling voor de datum 16 februari 2012.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag rust en droeg het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen of een nieuw besluit te nemen over de in geding zijnde datum.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over de datum 16 februari 2012 te herzien vanwege onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.