ECLI:NL:CRVB:2014:3761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking bijstand wegens niet-inschrijving GBA
Verzoeker ontving sinds december 2009 bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres in de GBA. In mei 2013 wijzigde zijn inschrijving naar 'Vertrokken naar buitenland'. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam vroeg vervolgens bewijsstukken op, waaronder huurbetalingen en een GBA-inschrijving op het verblijfadres. Verzoeker leverde een verklaring in dat hij tijdelijk op een ander adres woonde en huur betaalde.
Het college schortte de bijstand op en sommeerde verzoeker om aanvullende gegevens, waaronder een bewijs van inschrijving in de GBA en een kopie legitimatie van de hoofdbewoner. Verzoeker voldeed hier niet aan, waarna het college de bijstand per 1 november 2013 introk. Verzoeker maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het college en de rechtbank.
In hoger beroep verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om bijstand als voorschot te ontvangen. De voorzieningenrechter beoordeelde of sprake was van onverwijlde spoed en een spoedeisend belang. Verzoeker stelde dat hij geen inkomen had en schulden opliep, maar kon dit niet met objectieve stukken onderbouwen. Ook gaf hij geen verklaring waarom geen nieuwe aanvraag was ingediend.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker geen spoedeisend belang aannemelijk had gemaakt en dat de behandeling van de hoofdzaak kon worden afgewacht. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.