ECLI:NL:CRVB:2014:3812

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 november 2014
Publicatiedatum
19 november 2014
Zaaknummer
13-5267 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AWBZArt. 2 Bijdragebesluit zorgArt. 3 Bijdragebesluit zorgArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging eigen bijdrage AWBZ ondanks klachten over zorgkwaliteit en indicatie

Appellant is op grond van de AWBZ geïndiceerd voor individuele begeleiding en CAK heeft een eigen bijdrage vastgesteld voor deze zorg. Appellant stelde dat de opgelegde zorg niet de gewenste medische zorg betrof, te laat was gestart, hem verder het zorgcircuit in trok en dat er een lopende klachtenprocedure was over de kwaliteit van de zorg.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van CAK ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad stelde vast dat de indicatie van CIZ rechtsgeldig is en dat CAK op grond van de AWBZ en het Bijdragebesluit zorg verplicht is een eigen bijdrage te heffen.

De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende onderbouwing gaf voor het standpunt dat de zorg niet kwalificeert als AWBZ-zorg waarop recht bestaat. Ook de lopende klachtenprocedure en de geringe inkomensdaling konden de vastgestelde eigen bijdrage niet beïnvloeden.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de eigen bijdrage door het CAK voor AWBZ-zorg.

Uitspraak

13/5267 AWBZ
Datum uitspraak: 12 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
11 september 2013, 13/278 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2014. Appellant is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Knoester.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 13 maart 2012 heeft Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) appellant op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor begeleiding individueel, klasse 1, voor de periode van 13 maart 2012 tot en met
12 maart 2013.
1.2.
Bij besluit van 15 augustus 2012 heeft CAK de maximale periode bijdrage zorg zonder verblijf 2012 voor appellant vanaf periode 5 vastgesteld op € 258,96 per vier weken.
1.3.
Bij besluit van 8 oktober 2012 heeft CAK de eigen bijdrage voor appellant voor zorg zonder verblijf vastgesteld op € 105,50 voor periode 5 tot en met 8 over 2012.
1.4.
Bij besluit van 28 december 2012 (bestreden besluit) heeft CAK het tegen het besluit van 8 oktober 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft CAK ten grondslag gelegd dat CAK gehouden is om een eigen bijdrage vast te stellen als een betrokkene beschikt over een indicatiebesluit voor zorg op grond van de AWBZ, zoals in het geval van appellant. Voor zover appellant klachten heeft over de kwaliteit van de aan hem verleende zorg, dient hij zich tot de zorgaanbieder te wenden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat voor het opleggen van de eigen bijdrage geen grondslag bestaat, omdat de geboden zorg aan hem is opgedrongen. Deze zorg is niet de medische zorg die appellant blijkens de door hem in hoger beroep overgelegde medische stukken beoogt te verkrijgen. Voorts is de geïndiceerde begeleiding te laat van start gegaan, heeft deze zorg hem nog verder het zorgcircuit ingezogen en loopt er nog een klachtenprocedure over de kwaliteit van de geleverde zorg. Bovendien kan de eigen bijdrage niet worden vastgesteld, omdat zijn inkomen over 2010 nog steeds wijzigt en is gedaald met zo’n € 1.800,-.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft CIZ het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 18 april 2013 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2012, met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 juli 2013 heeft de rechtbank het tegen die uitspraak gedane verzet met toepassing van artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Raad zich bij uitspraak van 22 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3489, onbevoegd verklaard, zodat de door CIZ bij het besluit van 13 maart 2012 verleende indicatie voor begeleiding individueel in rechte vaststaat.
4.2.
Blijkens artikel 6, vierde lid, van de AWBZ kan bij algemene maatregel van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking worden gesteld, dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. Artikel 2, eerste lid, van de desbetreffende algemene maatregel van bestuur, het Bijdragebesluit zorg, bepaalt dat de verzekerde van 18 jaar of ouder bijdraagt in de kosten van de zorg, verleend door een instelling. Hij is deze bijdrage, welke wordt vastgesteld volgens de in het Besluit gegeven regels van dwingendrechtelijke aard, volgens artikel 3, eerste lid, van het Besluit verschuldigd aan CAK.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak is CAK op grond van deze bepalingen gehouden, in verband met door een instelling verleende zorg, van de betrokkene een eigen bijdrage te heffen overeenkomstig hetgeen dwingendrechtelijk is voorgeschreven in het Bijdragebesluit zorg. Dit lijdt alleen uitzondering, indien de verleende zorg zich niet kan kwalificeren als zorg waarop de verzekerde overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de AWBZ recht heeft. Het ligt op de weg van de verzekerde die zich op deze uitzondering wenst te beroepen, om deugdelijk en met verifieerbare gegevens te onderbouwen dat van een dergelijke uitzonderingssituatie sprake is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH7712). Appellant is daarin niet geslaagd. Het standpunt van appellant dat de geboden zorg opgedrongen zorg betreft die te laat is gestart en dat deze zorg hem verder het zorgcircuit heeft ingezogen, is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat nog een klachtenprocedure loopt over de kwaliteit van de aan appellant verleende zorg kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat appellant hierover verder geen informatie heeft verstrekt.
4.4.
De door appellant gestelde verlaging van zijn inkomen over 2010 is ten opzichte van het inkomen dat is gehanteerd voor de vaststelling van de maximale periode bijdrage zodanig gering dat dit niet van invloed kan zijn op de vastgestelde eigen bijdrage.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) W. de Braal

NK