Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, lijdend aan PTSS en frequente aanvallen van clusterhoofdpijn, verzocht om indicatie voor persoonlijke verzorging en begeleiding op grond van de AWBZ. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wees deze verzoeken af en verleende alleen een indicatie voor verpleging, welke later werd ingetrokken na bezwaar. De rechtbank vernietigde het besluit wegens procedurele tekortkomingen, maar liet de rechtsgevolgen in stand na aanvullend medisch onderzoek.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat persoonlijke verzorging volgens het Besluit zorgaanspraken AWBZ gericht is op ondersteuning bij zelfredzaamheid, maar dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde dat hij tijdens of na aanvallen niet zelfstandig kan verzorgen. De medisch adviseurs concludeerden dat hulp bij douchen of verschonen niet medisch noodzakelijk is.
Ten aanzien van begeleiding stelde appellant dat hij door de hevige aanvallen en taalproblemen geen regie kan voeren en begeleiding nodig heeft. De Raad oordeelde dat behandeling van PTSS voorliggend is op AWBZ-zorg en dat er geen medische basis is voor matige of ernstige beperkingen die begeleiding rechtvaardigen. Ook werd onvoldoende aannemelijk gemaakt dat taalproblemen psychiatrische behandeling onmogelijk maken.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak dat appellant geen aanspraak maakt op AWBZ-zorg, dat overbelasting van de echtgenote niet door AWBZ-zorg komt en dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 22 oktober 2014.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; appellant komt niet in aanmerking voor AWBZ-zorg voor persoonlijke verzorging en begeleiding.