ECLI:NL:CRVB:2014:3861

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2014
Publicatiedatum
21 november 2014
Zaaknummer
13-5382 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 tweede lid WWBArt. 2 tweede lid Maatregelenverordening gemeente [woonplaats] 2012
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens onvoldoende arbeidsinschakeling ondanks betwisting begeleiding

Appellant ontvangt bijstand als alleenstaande ouder en volgde een re-integratietraject bij Baanbrekend. De jobcoach meldde hem terug bij het college vanwege onvoldoende opvolging van opdrachten en het niet bijwerken van het logboek, ondanks een laatste kans e-mail. Hierdoor werd het traject beëindigd.

Het college verlaagde de bijstand met 100% voor een maand, een matiging van de standaardmaatregel van drie maanden, vanwege het feit dat het de eerste maatregel betrof en rekening houdend met persoonlijke omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de begeleiding onder de maat was en dat het college dit erkende door een nieuwe jobcoach in te zetten. De Raad oordeelde dat appellant geen klachten had gemeld en zich aan afspraken moest houden, ongeacht zijn mening over de begeleiding. Daarom was er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% voor de duur van één maand wordt bevestigd.

Uitspraak

13/5382 WWB
Datum uitspraak: 18 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2013, 13/1387 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2014. Appellant is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Appellant volgde vanaf september 2012 in het kader van zijn re-integratie het participatietraject bij Baanbrekend Nieuwe Waterweg Noord (Baanbrekend).
Op 15 oktober 2012 heeft de jobcoach bij Baanbrekend appellant bij het College teruggemeld omdat het traject moeizaam verliep en appellant de opdrachten die hij kreeg niet of niet geheel opvolgde. Blijkens de terugmelding heeft de jobcoach appellant op 11 oktober 2012 via een “laatste kans e-mail” verzocht om vóór 15 oktober 2012 het logboek van Baanbrekend te gebruiken en volledig bij te werken vanaf de aanvang van het traject met de waarschuwing dat hij zou worden teruggemeld bij het college als hij niet aan dit verzoek voldeed. Appellant heeft niet voldaan aan deze oproep, waarop het traject is beëindigd.
1.3.
Bij besluit van 12 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
8 februari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van
1 december 2012 voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling. Het college heeft in de persoonlijke omstandigheden van appellant en in het feit dat dit zijn eerste maatregel is, aanleiding gezien de uit de Maatregelenverordening gemeente [woonplaats] 2012 (Maatregelenverordening) voortvloeiende standaardmaatregel van 100% voor de duur van drie maanden te matigen tot 100% gedurende één maand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de gedraging die aan de opgelegde maatregel ten grondslag ligt, op grond van de Maatregelenverordening moet worden gekwalificeerd als een gedraging van de derde categorie die in beginsel leidt tot een verlaging van 100% gedurende drie maanden. Het geschil spitst zich toe op de vraag in hoeverre het college aanleiding had moeten zien om van het opleggen van een maatregel af te zien, dan wel de maatregel nog verder te matigen.
4.2.
Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
4.3.
Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
4.4.
De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant zijn standpunt niet heeft onderbouwd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid omdat de begeleiding van zijn jobcoach onder de maat en niet inspirerend was. Appellant bestrijdt dit oordeel. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het bewijs van 8 mei 2013 buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens appellant blijkt uit de brief van 8 mei 2013, waarbij hij is uitgenodigd voor een inschrijfgesprek bij Baanbrekend op 15 mei 2013, dat het college erkent dat de begeleiding van zijn vorige jobcoach onder de maat was. De vervanging van de jobcoach en het herstel van de bemiddeling medio 2013 bevestigen dat, aldus appellant.
4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft appellant niet bij het college gemeld dat hij ontevreden was over zijn jobcoach of dat hij klachten had over haar werkwijze. Bovendien dient appellant zich aan zijn afspraken met de jobcoach te houden, ongeacht zijn mening over die jobcoach. Hij heeft dit niet gedaan. De rechtbank heeft op grond daarvan dan ook terecht geoordeeld dat van verminderde verwijtbaarheid geen sprake is. Dit wordt niet anders doordat appellant in een later stadium opnieuw is uitgenodigd voor een inschrijfgesprek bij Baanbrekend en daarna in het kader van een ander traject door een andere jobcoach is begeleid.
4.6.
Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en A.B.J. van der Ham en
C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2014.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) M.R. Schuurman

HD