Uitspraak
.Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal trok deze bijstand in per 1 juni 2005 met terugvordering van kosten wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met A. Het college baseerde dit op onderzoek met onder meer stelselmatige observaties en verklaringen van buurtbewoners.
De rechtbank had het college in het gelijk gesteld, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de verklaringen van buurtbewoners onvoldoende zijn om te concluderen dat A vanaf 1 juni 2005 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Wel is voldoende vastgesteld dat A vanaf 1 februari 2012 hoofdverblijf had op dat adres. Hierdoor wordt het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode vóór 1 februari 2012 vernietigd.
Daarnaast is de afwijzing van een nieuwe bijstandsaanvraag over de periode 11 mei 2012 tot 20 juni 2012 onterecht, omdat het college niet heeft onderzocht of de door appellante overgelegde verklaringen over het niet samenwonen juist zijn. De Raad wijst de bijstand toe over de periode van 11 mei 2012 tot 19 augustus 2012 en veroordeelt het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode vóór 1 februari 2012 en bijstand wordt toegekend over de periode van 11 mei 2012 tot 19 augustus 2012.