Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 15 mei 2012 waarin werd vastgesteld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep stelde dat zijn medische beperkingen te laag waren ingeschat en dat er ten onrechte geen psycholoog als deskundige was benoemd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van appellant een herhaling waren van eerdere bezwaren die door de rechtbank terecht waren verworpen. De Raad vond dat het UWV de medische beperkingen juist had vastgesteld op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst en rapporten van verzekeringsartsen die lichamelijk en psychisch onderzoek hadden verricht.
De Raad vond geen aanleiding om een deskundige te benoemen en bevestigde dat appellant werkzaamheden kan verrichten binnen zijn beperkingen, zoals vastgesteld door de arbeidsdeskundigen. Op grond hiervan is aannemelijk dat appellant in staat is om de voorgestelde functies te vervullen en daarmee 100% van het maatmaninkomen te verdienen.
Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.