ECLI:NL:CRVB:2014:4064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als schoonmaker, viel in februari 2009 uit wegens voet- en knieklachten. Na medisch onderzoek in januari 2011 werd vastgesteld dat hij beperkingen ondervindt door een somatoforme stoornis en gewrichtspijn. De arbeidsdeskundige berekende zijn arbeidsongeschiktheid aanvankelijk op 5%, later bij bezwaar op 33,15%, maar het UWV weigerde een WIA-uitkering omdat de grens van 35% niet werd overschreden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant stelde in hoger beroep dat de medische onderzoeken onvoldoende waren en dat hij fibromyalgie heeft, waardoor hij volledig arbeidsongeschikt zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief beoordeling van psychische en lichamelijke beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de diagnose fibromyalgie beoordeeld en gemotiveerd waarom deze geen aanleiding gaf tot meer beperkingen. De Raad vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door J.P.M. Zeijen, in aanwezigheid van griffier M. Crum, op 5 december 2014.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.