ECLI:NL:CRVB:2014:4118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand alleenstaande wegens gezamenlijke huishouding
Appellant heeft bijstand aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande, terwijl hij volgens het college nog steeds een gezamenlijke huishouding voert met [naam W.] op het uitkeringsadres. Uit onderzoeken en gesprekken blijkt dat appellant feitelijk nog steeds op het uitkeringsadres verbleef en niet op het opgegeven adres woonde.
De Raad toetst of appellant zijn hoofdverblijf had verplaatst en concludeert dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding blijft gelden. De inschrijving in de GBA op het opgegeven adres is niet doorslaggevend. Medische omstandigheden en gescheiden financiën zijn niet relevant voor het hoofdverblijf.
De Raad bevestigt het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, waarmee de aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt afgewezen omdat appellant nog steeds een gezamenlijke huishouding voert.