ECLI:NL:CRVB:2014:4128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag indicatie verblijf op grond van AWBZ wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante, bekend met een licht verstandelijke handicap en wonend bij haar moeder, diende op 24 oktober 2011 een aanvraag in bij het CIZ voor een indicatie op grond van de AWBZ. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, maar na bezwaar deels herzien waarbij een indicatie voor Begeleiding, klasse 2, werd toegekend en de aanvraag voor Verblijf werd afgewezen wegens onvoldoende medische grondslag.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de eerste afwijzing niet-ontvankelijk en het beroep tegen de tweede beslissing ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat onvoldoende onderzoek had plaatsgevonden en dat haar beperkingen niet volledig in kaart waren gebracht, waardoor ten onrechte geen indicatie voor Verblijf was toegekend.
De Raad oordeelde dat het medisch advies waarop het CIZ zich baseerde zorgvuldig was opgesteld en dat de medische rapporten voldoende onderbouwing boden voor de beslissing. Appellante had geen medische gegevens overgelegd die het advies konden weerleggen of een hogere indicatie konden rechtvaardigen. Bovendien maakte appellante geen gebruik van de toegekende begeleiding en gaf zij aan bij haar moeder te willen blijven wonen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor indicatie verblijf en wijst het hoger beroep af.