ECLI:NL:CRVB:2014:4159
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Weigering Wubo-toekenningen wegens onvoldoende bewijs van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1941 in Nederlands-Indië, verzocht in 2011 om uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), stellende dat haar neurologische aandoening het gevolg was van een val tijdens de Japanse bezetting. Verweerder erkende het oorlogsgeweld van de internering in kamp De Wijk tijdens de Bersiap-periode, maar weigerde toekenningen wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit.
In bezwaar en beroep handhaafde verweerder dit standpunt. De Raad concludeerde dat niet aannemelijk is dat appellante tijdens een vlucht uit levensbedreigende omstandigheden is gevallen en ernstig gewond is geraakt. Verklaringen van familieleden waren inconsistent en onvoldoende overtuigend, en medisch advies wees niet op een trauma als oorzaak van de neurologische klachten.
De Raad volgde verweerder in zijn oordeel dat de val geen oorlogsgeweld in de zin van de Wubo oplevert en dat het causaal verband tussen de val en de klachten niet vastgesteld kan worden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld.