De zaak betreft uitgeprocedeerde asielzoekers uit Eritrea en Somalië die in Amsterdam verblijven zonder rechtmatig verblijf en opvang aanvragen bij de gemeente Amsterdam. Het college wees hun aanvragen af en verklaarde hun bezwaren ongegrond, stellende dat zij geen aanspraak maken op opvang onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Verzoekers richtten zich ook tot de staatssecretaris, die opvang in een vrijheidsbeperkende locatie aanbood, gekoppeld aan vertrekverplichtingen. Het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) oordeelde op 1 juli 2014 dat het onthouden van voedsel, onderdak en kleding aan vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf een schending is van het Europees Sociaal Handvest (ESH).
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er sprake is van spoedeisend belang en dat de beslissingen van het ECSR mogelijk met terugwerkende kracht invloed kunnen hebben op het Nederlandse opvangrecht. Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen die de gemeente verplicht tot het bieden van nachtopvang, een douche, ontbijt en avondmaaltijd, geldig tot twee maanden na het standpunt van het Comité van Ministers over de ECSR-beslissingen.
Daarnaast werd het college veroordeeld in de proceskosten en moesten de griffierechten van verzoekers worden vergoed. De voorziening geldt ook voor vergelijkbare gevallen in andere centrumgemeenten.