ECLI:NL:CRVB:2014:4191

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 december 2014
Publicatiedatum
12 december 2014
Zaaknummer
12-6380 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WAZ-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellant, geboren in 1956, ontving sinds 2003 een WAZ-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid na een roofoverval. Na een herbeoordeling in 2008 werd de uitkering aangepast naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. In 2011 meldde appellant verslechterde klachten, waarna het UWV medisch en arbeidskundig onderzoek verrichtte en besloot de uitkering per december 2011 te beëindigen omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn.

Appellant maakte bezwaar en leverde medische stukken aan, waarna een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit opnieuw berekenden op 16,76%. Desondanks verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beperkingen niet waren onderschat en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. De aanvullende medische informatie bracht geen nieuw licht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WAZ-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAZ-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

12/6380 WAZ
Datum uitspraak: 12 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van
22 oktober 2012, 12/849 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats](appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.A.M. de Haan-van de Laak, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr.drs. A.H.J. de Kort, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren [in] 1956, is na een roofoverval uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig ondernemer in een tabakswinkel. In februari 2003 heeft appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Hierop is appellant bij besluit van 19 juni 2003 met ingang van 6 mei 2003 een WAZ-uitkering toegekend die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Daarbij is vastgesteld dat appellant vanwege zijn medische beperkingen niet meer dan 20 uren per week kon werken. Na een herbeoordeling is appellant vanaf 23 juni 2008 een WAZ-uitkering toegekend die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. In de theoretische schatting die aan deze beslissing ten grondslag ligt, is geen medische urenbeperking in aanmerking genomen.
1.2.
Op 1 augustus 2011 meldde appellant aan het Uwv dat zijn gezondheidsklachten zijn toegenomen. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv nader medisch en arbeidskundig onderzoek laten verrichten. De verzekeringsarts van het Uwv heeft vastgesteld dat appellant kampt met in aanmerking te nemen medische beperkingen en heeft die opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft met inachtneming van deze FML een aantal functies voor appellant geselecteerd en op grond van het mediane loon van de drie hoogstverlonende geselecteerde functies het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 11,72%. Bij besluit van 12 oktober 2011 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 13 december 2011 beëindigd op de grond dat appellant vanaf die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt is te achten. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Op basis van de in bezwaar door appellant overgelegde stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beoordeling van de verzekeringsarts aangescherpt bij rapport van 15 december 2011 en bij FML van gelijke datum. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 3 februari 2012 met inachtneming van de FML van
15 december 2011 een drietal nieuwe functies voor appellant geselecteerd, te weten samensteller metaalwaren (SBC-code 264140), productie medewerker industrie (SBC-code 111180) en magazijn expeditie medewerker (SBC-code 111220). Het verlies aan verdiencapaciteit van appellant is op grond van het mediane loon van die drie functies nader berekend op 16,76%. Bij besluit van 6 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant onder verwijzing naar genoemde rapporten ongegrond verklaard, omdat appellant vanaf 13 december 2011 minder dan 25% arbeidsongeschikt is te achten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Daartoe heeft hij evenals in beroep in hoofdzaak aangevoerd dat bij het bestreden besluit de ernst en omvang van zijn medische beperkingen is onderschat en dat hij vanwege de ernst en omvang van zijn medische beperkingen de door het Uwv voorgehouden functies niet kan vervullen.
Ter onderbouwing van het hoger beroep is namens appellant bij brief van 17 oktober 2014 een aantal medische stukken overgelegd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Partijen verschillen er niet over van mening dat bij appellant sprake is van medische klachten op grond waarvan arbeidsbeperkingen moeten worden aangenomen. Dat de ernst en omvang van de medische beperkingen van appellant bij FML van 15 december 2011 is onderschat is niet gebleken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft - ook ten aanzien van de vraag of er met ingang van de datum in geding opnieuw een medische urenbeperking in aanmerking moet worden genomen - toereikend onderzoek verricht en appellant heeft geen objectieve medische informatie overgelegd die erop duidt dat de FML van 15 december 2011 niet juist is te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van
22 oktober 2014 toereikend uiteengezet dat en waarom ook de in hoger beroep namens appellant overgelegde medische informatie geen nieuw licht werpt op zijn gezondheidstoestand op de datum in geding.
4.2.
Wat betreft de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit wordt overwogen dat, uitgaande van de juistheid van de FML van 15 december 2011, het Uwv genoegzaam heeft gemotiveerd dat de aan de theoretische schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ten grondslag gelegde functies samensteller metaalwaren (SBC-code 264140), productie medewerker industrie (SBC-code 111180) en magazijn expeditie medewerker (SBC-code 111220) voor appellant ten tijde van belang in medisch opzicht geschikt waren te achten. In dit verband wordt verwezen naar de in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 februari 2012 opgenomen toelichting bij de signaleringen in de gebruikte CBBS-uitdraai.
4.3.
Uit punt 4.1 en punt 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2014.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) S. Aaliouli

MK