Appellant, sinds 1988 in dienst bij de gemeente Voorschoten, werd in 2009 geschorst wegens mogelijk plichtsverzuim, maar later vrijgesproken. Na beëindiging van de schorsing gaf appellant aan niet meer als beheerder te willen terugkeren en verrichtte andere werkzaamheden.
Er liep een mediationtraject over de functiewaardering, dat in januari 2012 werd beëindigd. Appellant verzocht daarna herhaaldelijk om voortzetting van de bezwaarprocedures tegen de schorsingsbesluiten. Het college stelde dat appellant geen belang meer had bij behandeling van de bezwaren en verklaarde het beroep van appellant onontvankelijk wegens te late indiening.
De Raad oordeelt anders dan de rechtbank: de mediation betrof ook de affaire rond de schorsing, waardoor de termijn voor beroep niet onredelijk laat was. Ook na mediation bleef appellant belang houden bij de behandeling van zijn bezwaren, ondanks zijn andere werkzaamheden. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en draagt het college op binnen zes weken een beslissing te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd bij overschrijding van deze termijn.