ECLI:NL:CRVB:2014:4223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij met ingang van 5 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende arbeidskundige motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met name door degeneratieve afwijkingen aan de nekwervels en bijkomende klachten zoals fibromyalgie en psychische problemen.
De Raad oordeelde dat de gronden van appellante grotendeels een herhaling waren van eerdere, door de rechtbank verworpen, argumenten. Het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep was deugdelijk gemotiveerd en onderbouwd met objectieve gegevens, waarbij beperkingen op diverse punten waren opgenomen. De door appellante aangevoerde extra beperkingen waren niet onderbouwd met medische gegevens die relevant waren per datum van de beslissing.
Ook de arbeidsdeskundige motivering van de geselecteerde functies was overtuigend en passend bij de vastgestelde beperkingen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep faalt en bevestigde de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat het medisch oordeel van het UWV juist is en de geselecteerde functies passend zijn.