ECLI:NL:CRVB:2014:4226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 12 april 2012 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit bezwaar werd bij besluit van 2 oktober 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank Noord-Holland heeft het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond verklaard en oordeelde dat de verzekeringsarts een zorgvuldig, inzichtelijk en consistent onderzoek had verricht.
In hoger beroep betoogt appellant dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen, met name op basis van het advies van psycholoog Roodenburg die ernstige psychische klachten constateerde en nader onderzoek adviseerde. Ook stelt appellant dat de verzekeringsarts ten onrechte heeft aangenomen dat hij meerdere opleidingen had afgerond.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de gronden van appellant grotendeels een herhaling zijn van eerdere bezwaren die door de rechtbank terecht zijn verworpen. De rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn deugdelijk gemotiveerd en geven een overtuigend oordeel over de psychische en fysieke klachten. Het niet opvolgen van het advies tot nader psychologisch onderzoek leidt niet tot onzorgvuldigheid. De arbeidsdeskundige heeft bovendien overtuigend aangetoond dat appellant werkzaamheden kan verrichten die passen bij zijn mogelijkheden.
Gelet op deze overwegingen slaagt het hoger beroep niet en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.