ECLI:NL:CRVB:2014:4231

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 december 2014
Publicatiedatum
15 december 2014
Zaaknummer
13-3490 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbWerkloosheidswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging tussenuitspraak inzake WW-uitkering na bezwaarprocedure

In deze zaak stond de vraag centraal of betrokkene ten onrechte een WW-uitkering was ontzegd over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 31 oktober 2012. De rechtbank Den Haag had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De Raad van bestuur van het UWV had vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarin betrokkene alsnog in aanmerking werd gebracht voor de WW-uitkering.

De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd, voor zover de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en het besluit heeft vernietigd. De Raad constateerde dat het UWV inmiddels uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak, waardoor bevestiging van de opdracht van de rechtbank niet nodig was.

Betrokkene heeft geen zienswijze ingediend tegen het nieuwe besluit van 15 oktober 2014, waardoor de Raad ervan uitgaat dat hiermee aan de bezwaren is tegemoetgekomen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat geen kosten zijn aangetoond die voor vergoeding in aanmerking komen.

De uitspraak werd gedaan door G.A.J. van den Hurk, in aanwezigheid van griffier P. Boer, op 12 december 2014.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en oordeelt dat het UWV uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak, waardoor het hoger beroep faalt.

Uitspraak

13/3490 WW
Datum uitspraak: 12 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2013 en tegen de uitspraak van die rechtbank van 5 juni 2013, 12/9733 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 10 september 2014 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2014:3060, gedaan.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft appellant op 15 oktober 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Betrokkene is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het besluit van 15 oktober 2014 naar voren te brengen. Van die gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer, waarna het onderzoek is gesloten.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

OVERWEGINGEN

1. Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat appellant betrokkene ten onrechte over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 31 oktober 2012 uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft ontzegd.
2. Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft appellant betrokkene alsnog met ingang van
1 augustus 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.
3. Het hoger beroep slaagt niet. Uit overweging 4.7 van de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd. Vastgesteld wordt dat appellant inmiddels uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak, zodat er geen aanleiding is de opdracht van de rechtbank te bevestigen.
4. Betrokkene heeft geen zienswijze tegen het besluit van 15 oktober 2014 naar voren gebracht. De Raad houdt het er daarom voor dat met dit besluit aan de bezwaren van betrokkene tegemoet is gekomen, zodat dit besluit niet in de beoordeling wordt betrokken.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat appellant opnieuw moet beslissen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 23 augustus 2012;
  • bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 478,- wordt geheven
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2014.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) P. Boer

JL