ECLI:NL:CRVB:2014:4261

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 december 2014
Publicatiedatum
16 december 2014
Zaaknummer
14-4754 WMO-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 AwbArt. 28 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang na arrestatie

Verzoeker, een asielgerechtigde uit Somalië, had een aanvraag gedaan voor toelating tot maatschappelijke opvang in Amsterdam, welke door het college van burgemeester en wethouders werd afgewezen. Na bezwaar en beroep werd het besluit bevestigd door de rechtbank. Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep en vroeg om een voorlopige voorziening om tijdens het hoger beroep onmiddellijke opvang te verkrijgen.

Tijdens de procedure bleek dat verzoeker op 22 augustus 2014 was gearresteerd vanwege een incident met dodelijke afloop in de Vluchtkerk te Amsterdam, waar hij verbleef. Hij werd in voorlopige hechtenis genomen en later ter observatie overgeplaatst naar het Pieter Baan Centrum. Gezien deze omstandigheden oordeelde de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang was om de gevraagde voorlopige voorziening toe te kennen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en stelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. De uitspraak werd gedaan op 17 december 2014 door H.J. de Mooij, in aanwezigheid van griffier M.P. Ketting.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

14/4754 WMO-VV
Datum uitspraak: 17 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats 2] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van
13 augustus 2014, 14/4141 en 14/4424 (aangevallen uitspraak). Voorts heeft
mr. Cerezo-Weijsenfeld een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.I. Algoe en mr. H. Joutay.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Verzoeker, geboren[geboortedag] 1981, is afkomstig uit Somalië. Bij besluit van 7 oktober 2008 is aan hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 verleend, met ingang van 30 september 2008 en geldig tot
30 september 2013. Verzoeker heeft niet tijdig om verlenging van de verblijfsvergunning gevraagd. Bij besluit van 15 augustus 2014 is aan verzoeker alsnog voor de periode van 28 februari 2014 tot 28 februari 2019 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. In de periode van 30 september 2013 tot 28 februari 2014 is sprake van een zogenaamd verblijfsgat.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 31 maart 2014 de aanvraag van verzoeker om toelating tot de maatschappelijke opvang, waaronder toelating tot de opvang aan de [Adres A.] in [woonplaats 2] (Vluchthaven), afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 16 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2014 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat het college wordt opgedragen verzoeker hangende het hoger beroep per direct adequate opvang te bieden.
4.3.
Vaststaat dat verzoeker op 22 augustus 2014 is gearresteerd vanwege een incident met dodelijke afloop in de zogenaamde Vluchtkerk te Amsterdam waar verzoeker toen verbleef. Verzoeker is vervolgens in voorlopige hechtenis genomen. Ter zitting is toegelicht dat verzoeker onlangs voor observatie naar het Pieter Baan centrum is overgeplaatst. Gelet op deze omstandigheid acht de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aanwezig de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2014.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M.P. Ketting
IvR