1.4.De Minister heeft het tegen de besluiten van 2 maart 2013 door appellanten gemaakte bezwaar respectievelijk bij besluiten van 15 en 16 mei 2013 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat uit het onderzoek dat door de controleurs is verricht is gebleken dat appellanten niet wonen op hun GBA-adres.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 9.9 van de Wsf 2000 heeft de rechtbank overwogen dat de Minister terecht tot herziening is overgegaan met ingang van de vroegst mogelijke datum. De rechtbank heeft ook beoordeeld of aannemelijk is dat appellanten wel op het adres hebben gewoond, om zo te kunnen vaststellen of de herziening niet gedeeltelijk punitief moest worden geacht. De rechtbank heeft, mede nu bewijsstukken ontbreken, in twijfel getrokken of appellanten überhaupt wel op het GBA-adres hebben gewoond. De rechtbank heeft daartoe gesteld dat het niet waarschijnlijk is dat drie studenten een kamer zouden moeten delen, dat zij zich na hun vertrek niet onmiddellijk hebben laten uitschrijven, dat zij dat wel hebben gedaan op de dag van de controle, en dat een van hen zich daarbij weer heeft laten inschrijven op hetzelfde adres, terwijl de reden van de verhuizing was dat daar geen plaats meer voor hem zou zijn.
3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij geen eerlijk proces hebben gehad, omdat zij zijn geschaad in hun verdediging, nu eerst ter zitting bij de rechtbank het (subsidiaire) standpunt is ingenomen dat zij ook vóór 20 januari 2013 niet woonden op het GBA-adres en het daardoor niet mogelijk was om tegenbewijs te leveren. Voorts hebben zij aangevoerd dat de Minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vóór genoemde datum niet op hun GBA-adres woonden.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van
10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. Voorts geeft dit artikel aan dat onder studiefinancieringstijdvak wordt verstaan een kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste één kalendermaand is.
4.1.2.Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:
a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en
b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.
4.1.3.Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.
4.1.4.Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.
4.1.5.In artikel 11.5 van de Wsf 2000 is door de wetgever aan appellant de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.