ECLI:NL:CRVB:2014:4320

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2014
Publicatiedatum
19 december 2014
Zaaknummer
12-5164 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, voormalig productiemedewerkster, meldde zich ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en de belastbaarheid niet werd overschreden.

In hoger beroep voerde appellante aan dat een brief van haar psychiater aangaf dat het te vroeg was voor arbeidsinschakeling en vroeg om een onafhankelijke psychiater. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de aanvullende informatie van de psychiater geen aanleiding gaf tot meer beperkingen.

De Raad concludeerde dat de functies medisch passend waren en dat appellante in staat was de werkzaamheden te verrichten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

12/5164 WIA
Datum uitspraak: 19 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van
3 september 2012, 11/6150 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Appellante is daarbij - met bericht van verhindering - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is voorheen werkzaam geweest als productiemedewerkster en heeft zich op
22 juni 2009, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziekgemeld in verband met lichamelijke klachten. Nadien zijn daar ook psychische klachten bijgekomen. Op 29 maart 2011 heeft zij een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.2.
Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 20 juni 2011 minder dan 35% bedraagt. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 17 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep), rekening houdend met de klachten van appellante aan de rug en aan de hand, psychische klachten en vermoeidheidsklachten, niet te geringe medische beperkingen vastgesteld. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de belasting van de appellante voorgehouden functies haar functionele mogelijkheden overschrijdt.
3. In hoger beroep heeft appellante nogmaals gewezen op de brief van haar behandelend psychiater R.W. Jessurun van 12 september 2011, waarin Jessurun volgens appellante duidelijk aangeeft dat het te vroeg is om haar in te schakelen in het arbeidsproces en dat een geforceerde inschakeling in het arbeidsproces vermoedelijk zal leiden tot een nieuwe decompensatie. Om die reden handhaaft appellante het verzoek om een onafhankelijke psychiater te benoemen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan de door de primaire verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een aanvullende beperking ten aanzien van persoonlijk risico op grond van het medicijngebruik toegevoegd. Zij heeft voorts kennisgenomen van de brief van psychiater Jessurun van 12 september 2011 en heeft in haar rapport van 24 januari 2012 gemotiveerd uiteengezet dat de informatie van Jessurun niet kan leiden tot meer beperkingen voor de psychische belastbaarheid van appellante dan de primaire verzekeringsarts in de FML heeft opgenomen. Naar haar oordeel is er in passende arbeid, waarbij met de beperkingen van appellante voor psychisch belastende factoren is rekening gehouden, geen reden om op voorhand te veronderstellen dat dit zou moeten leiden tot psychische decompensatie.
4.2.
Er is geen reden te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Appellante heeft ook in hoger beroep geen objectief medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij meer beperkingen heeft dan zijn opgenomen in de FML. Ook de brief van psychiater Jessurun geeft daartoe geen enkele indicatie. Evenals in de procedure bij de rechtbank, wordt dan ook geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.
4.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 14 november 2011 voldoende toegelicht dat appellante per 20 juni 2011 in staat was de aan die functies verbonden werkzaamheden te verrichten.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van
J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
19 december 2014.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) J.C. Hoogendoorn

NK