Uitspraak
10 juli 2013, 12/5255 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant woont sinds januari 2009 in Duitsland en ontvangt een WAO-uitkering. Op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Verordening EEG nr. 1408/71 is hij als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij recht op zorg in Duitsland ten laste van Nederland. Hiervoor is een buitenlandbijdrage verschuldigd, vastgesteld op €1.955,10 voor 2009.
Appellant betwistte de bijdrageplicht vanwege zijn onvoldoende inkomen en een insolventieprocedure in Duitsland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het Zorginstituut de bijdrage conform de wettelijke regels had vastgesteld. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de financiële situatie van de verdragsgerechtigde geen rol speelt bij de vaststelling van de buitenlandbijdrage volgens artikel 69 Zvw Pro.
De Raad wijst appellant op de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen bij het Zorginstituut. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De buitenlandbijdrage wordt bevestigd ongeacht de financiële situatie van appellant.