Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep van de erven van betrokkene tegen besluiten van het Zorginstituut inzake de vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2006 en 2007. Betrokkene woonde in die jaren in België en ontving diverse pensioenen. De rechtbank had de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat de rechtbank zonder toestemming van appellanten zonder zitting heeft beslist.
De Raad beoordeelt vervolgens inhoudelijk of de beroepen gegrond zijn. Volgens de Raad was betrokkene in 2006 en 2007 verdragsgerechtigd in België en daarmee bijdrageplichtig. Het beroep op ongerechtvaardigd onderscheid en strijd met het vrij verkeer wordt verworpen op basis van relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de brief van het Zorginstituut van 3 september 2007 niet als een duidelijke en ondubbelzinnige toezegging kan worden gezien, mede gezien de eerdere en latere correspondentie die het tegendeel bevestigt. Ook het feit dat betrokkene een Nederlandse ziektekostenverzekering had, leidt niet tot het achterwege laten van de bijdrage.
De Raad verklaart de beroepen ongegrond en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de besluiten over de buitenlandbijdrage 2006 en 2007 worden ongegrond verklaard.