Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:4464

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2014
Publicatiedatum
12 januari 2015
Zaaknummer
14-2822 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwVerordening (EEG) nr. 883/2004Artikel 6.3.1 Regeling zorgverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buitenlandbijdrage Zvw voor in het buitenland wonende verzekerde

Appellant woonde in 2012 in het Verenigd Koninkrijk en ontving een WAO-uitkering en een lijfrente. Het Zorginstituut stelde de buitenlandbijdrage Zvw over 2012 vast op €4.049,44 en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het Zorginstituut ten onrechte een E-121 formulier had geëist en onjuist had ingevuld, en dat de bijdrage was gebaseerd op onjuiste informatie van de Belastingdienst. De Centrale Raad oordeelde dat appellant als verdragsgerechtigde op grond van Verordening 883/2004 inderdaad een buitenlandbijdrage is verschuldigd en dat het ontbreken van een correct E-121 formulier daaraan niets afdoet.

Verder is het Zorginstituut gebonden aan de door de Belastingdienst vastgestelde Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) voor de berekening van de bijdrage. Bezwaar tegen die beschikking moet appellant bij de Belastingdienst zelf aanvechten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de buitenlandbijdrage Zvw over 2012 wordt bevestigd.

Uitspraak

14/2822 ZVW
Datum uitspraak: 31 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 april 2014, 13/7242 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk) (appellant)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten.
1.1.
In 2012 woonde appellant in het Verenigd Koninkrijk en ontving hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en een lijfrente van Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V..
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 14 november 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 september 2013 - waarbij de definitieve buitenlandbijdrage over 2012 is vastgesteld op € 4.049,44 - ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling
4.1.
Ingevolge artikel 69 eerste Pro lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw) melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van Verordening (EEG) nr. 883/2004
(Vo. 883/2004) in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, zich, tenzij zij op grond van de Zvw verzekeringsplichtig zijn, bij het Zorginstituut aan. In het tweede lid is, voor zover van belang, bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage zijn verschuldigd (buitenlandbijdrage).
4.2.
Het Zorginstituut heeft - zoals door de rechtbank met juistheid is overwogen - appellant terecht aangemerkt als verdragsgerechtigde op grond van de Vo. 883/2004, zodat hij voor het recht op zorg in zijn woonland (Verenigd Koninkrijk), ten laste van Nederland op grond van artikel 69 van Pro de Zvw over 2012 een buitenlandbijdrage verschuldigd is en dat er in 2012 bij appellant geen sprake was van een prevalerend recht.
4.3.
De gronden dat het Zorginstituut te kwader trouw een E-121 formulier van appellant heeft geëist en dat het Zorginstituut dat onjuist heeft ingevuld, doet - wat daar ook van
zij - niet af aan de bijdrageplicht van appellant. Ook zonder (juiste) inschrijving met een
E-121 formulier heeft appellant recht op verstrekkingen en is hij bijdrageplichtig. In artikel 69 van Pro de Zvw is imperatief bepaald dat in de omstandigheden waarin appellant verkeert de buitenlandbijdrage is verschuldigd.
4.4.
De grond dat het Zorginstituut zich bij de vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2012 heeft gebaseerd op onjuiste informatie van de Belastingdienst, treft geen doel. Het Zorginstituut is uitgegaan van de door de Belastingdienst bij beschikking vastgesteld Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi). Voor zover appellant het met die beschikking niet eens is, dient hij daartegen bij de Belastingdienst bezwaar te maken en zo nodig een procedure te starten bij de belastingrechter. Het Zorginstituut is gelet op de systematiek van artikel 6.3.1. van de Regeling zorgverzekering gebonden aan de vaststelling van de Belastingdienst en ook gehouden die NiNbi-beschikking te volgen voor de berekening van de bijdrage Zvw.
5. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) D. van Wijk

JL