ECLI:NL:CRVB:2014:448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering van ANW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een ANW-uitkering na het overlijden van haar echtgenoot. Naar aanleiding van anonieme meldingen startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar haar woonsituatie, gecombineerd met een onderzoek naar bijstand aan haar partner [L.]. Uit het onderzoek bleek dat appellante en [L.] sinds 23 mei 2011 een gezamenlijke huishouding voerden, ondanks dat zij een lat-relatie stelden te hebben.
De Svb trok daarom per 1 juni 2011 de ANW-uitkering in en vorderde de onterecht ontvangen uitkering van €8.847,87 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij de inlichtingenplicht had geschonden. Appellante stelde in hoger beroep dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde en dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verklaringen van appellante en [L.] waren consistent en zonder onaanvaardbare druk afgelegd. De feitelijke omstandigheden wezen op een gezamenlijke huishouding, ongeacht de intenties van partijen. Ook waren er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de terugvordering van de ANW-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante sinds 1 juni 2011 een gezamenlijke huishouding voerde en dat de intrekking en terugvordering van haar ANW-uitkering terecht is.