ECLI:NL:CRVB:2014:547
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Vaststelling mate van invaliditeit met dienstverband na PTSS en middelengebruik
Appellant, een militair die in 1979-1980 naar Libanon was uitgezonden, verzocht om een militair pensioen vanwege invaliditeit. Na een Sociaal Medisch Onderzoek werd hem een invaliditeitspensioen toegekend van 20% met ingang van 18 juli 2006. Appellant stelde bezwaar en overhandigde een rapport van psychiater Schwarz die een invaliditeit van 40% adviseerde. De minister wees het bezwaar af.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de uitspraak van de rechtbank niet aan de vereisten van de Awb voldeed en vernietigde deze. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige, psychiater Witte, die concludeerde dat appellant leed aan chronische PTSS, alcohol- en weedafhankelijkheid, en een gedeeltelijke persoonlijkheidsstoornis. Witte stelde de mate van invaliditeit op 40%.
De Raad volgde echter de geneeskundig adviseur van de minister die op basis van de WPC-systematiek een invaliditeit tussen 20 en 30% vaststelde, met een maximum van 30%. De Raad oordeelde dat dit het beste aansloot bij het beeld van appellant, die op sommige levensgebieden beperkt is en emotioneel ontregeld bij teleurstellingen. Het bestreden besluit werd vernietigd en de mate van invaliditeit met dienstverband werd vastgesteld op 30%. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld op 30% met ingang van 18 juli 2006.