ECLI:NL:CRVB:2014:622
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een heronderzoek ontstonden vragen over diverse stortingen op hun bankrekeningen. Het college verzocht om aanvullende bankafschriften en verklaringen van familieleden over ontvangen geld en goederen. Appellant legde niet alle gevraagde stukken over, waaronder een specifiek bankafschrift.
Het college schortte het recht op bijstand op en vervolgens trok het dit per 1 december 2011 in vanwege schending van de inlichtingenverplichting. Tevens werd de bijstand over de periode mei tot en met november 2011 teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij de gevraagde gegevens wel had overgelegd, maar kon dit niet aannemelijk maken. De Raad oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand introk en de kosten terugvorderde omdat niet kon worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De Raad bevestigde de uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.