ECLI:NL:CRVB:2014:649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.Th. Wolleswinkel
- J.N.A. Bootsma
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid SBF-uitkering en ontslagdatum bij buitengewoon verlof
Appellant, werkzaam in een substantieel bezwarende functie bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, werd met ingang van 1 april 2010 buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verleend en kreeg een SBF-uitkering vastgesteld tot 1 januari 2013. De minister stelde dat de SBF-uitkering eindigt zodra appellant met pensioen kan gaan op basis van zijn opgebouwde rechten, conform de SBF-regeling en het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het ontslag en de uitkeringsduur gebonden besluiten zijn en dat het ontbreken van volledige informatievoorziening door de minister de rechtmatigheid niet aantast. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij bij juiste informatie mogelijk langer had doorgewerkt en beriep zich op het vertrouwensbeginsel.
De Raad oordeelde dat de SBF-regeling een algemeen verbindend voorschrift is en dat er geen ernstige gebreken zijn die de regeling ongrondslag maken voor besluiten. De netto-uitkering lager dan 80% van de bruto bezoldiging is een gevolg van fiscale inhoudingen waarop de minister geen invloed heeft. De ontslagdatum en uitkeringsduur zijn gebonden aan de regeling en individuele omstandigheden kunnen niet worden meegenomen.
Hoewel het betreurenswaardig is dat een personeelsadviseur onjuiste informatie gaf over de duur van de SBF-uitkering, kon appellant hieraan geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.