ECLI:NL:CRVB:2014:678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. de Mooij
- A.J. Schaap
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Beëindiging aanspraak op AWBZ-zorg wegens ontbreken medische indicatie
Appellant had op grond van de AWBZ een persoonsgebonden budget toegekend gekregen voor persoonlijke verzorging en verblijf vanwege een psychiatrische aandoening. Het CIZ beëindigde echter per 29 juli 2011 deze aanspraak, omdat een medisch adviseur concludeerde dat er geen psychiatrische aandoening of andere beperkingen waren die zorg op grond van de AWBZ rechtvaardigden.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank stelde vast dat het geschil zich beperkte tot de periode tussen 29 juli 2011 en 9 november 2011, omdat daarna een nieuw zorgzwaartepakket was toegekend vanwege de gevolgen van een CVA. De rechtbank vond het medisch advies zorgvuldig en gemotiveerd en oordeelde dat appellant onvoldoende medische gegevens had overgelegd om dit te weerleggen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen en stelde dat de brief van de neuroloog ook betrekking had op de periode in geschil. De Raad concludeerde echter dat de rechtbank de gronden van beroep voldoende had gemotiveerd en dat appellant geen nieuwe medische informatie had aangeleverd die aanleiding gaf tot een andere conclusie.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de AWBZ-zorg aanspraak per 29 juli 2011 wegens ontbreken van medische indicatie.