ECLI:NL:CRVB:2014:735

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2014
Publicatiedatum
5 maart 2014
Zaaknummer
12-5909 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens niet-betaling vakantiebijslag en proceskostenvergoeding

In deze zaak ging het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarbij het besluit van het UWV van 10 augustus 2011 werd gehandhaafd. De kern van het geschil betrof het niet meenemen van de door de werkgever verschuldigde vakantiebijslag bij de vaststelling van de uitkering wegens betalingsonmacht.

Na een tussenuitspraak oordeelde het UWV alsnog het bezwaar van appellant gegrond en nam de vakantiebijslag over de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 april 2011 mee in het besluit. Tevens vergoedde het UWV de kosten van rechtsbijstand in bezwaar.

De Centrale Raad van Beroep vernietigde de aangevallen uitspraak en het besluit van 10 augustus 2011 wegens strijd met de wet. Het besluit van 22 januari 2014 werd niet bestreden en bleef buiten beschouwing. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitspraak

12/5909 WW
Datum uitspraak: 5 maart 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
11 oktober 2012, 11/3451 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [gemachtigde] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 18 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2932) een tussenuitspraak gedaan.
Het Uwv heeft een besluit ingezonden van 22 januari 2014.
Appellant heeft zijn zienswijze gegeven op het besluit.
De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

OVERWEGINGEN

1.
Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat het Uwv ten onrechte bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering wegens betalingsonmacht geen rekening heeft gehouden met de door de werkgever verschuldigde vakantiebijslag.
2.
Bij besluit van 22 januari 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellant alsnog gegrond geacht en de door de werkgever verschuldigde vakantiebijslag over de periode van
1 mei 2010 tot en met 30 april 2011 overgenomen. Het Uwv heeft verder besloten aan appellant de kosten van rechtsbijstand in bezwaar te vergoeden tot een bedrag van € 487,-.
3.
Volgens appellant heeft het Uwv met het besluit van 22 januari 2014 op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak en is daarmee daadwerkelijk tegemoetgekomen aan zijn bezwaren. Hij heeft verzocht om vergoeding van zijn proceskosten in beroep en in hoger beroep.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uit de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij - voor zover hier van belang - het besluit van 10 augustus 2011 in stand is gelaten, moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad ook het besluit van 10 augustus 2011 vernietigen wegens strijd met de wet.
4.2.
Het besluit van 22 januari 2014 wordt door appellant niet bestreden. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt dit besluit niet in de beoordeling betrokken.
4.3.
Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 974,- in beroep en € 730,50 in hoger beroep, in totaal € 1.704,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 augustus 2011;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.704,50;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2014.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) D.E.P.M. Bary

QH